Naar startpagina


TEKEN

en de Ziekte van Lyme

(ook wel 'tekenbeetziekte' genaamd)

Wie de natuur in trekt doet er goed aan zich tegen tekenbeten te beschermen, want een tekenbeet kan gevaarlijk zijn. Teken kunnen nl. infectieziekten overbrengen. In Nederland is dat de Ziekte van Lyme, in het buitenland kunnen dat ook nog andere ziekten zijn. De meeste mensen die door een teek gebeten zijn worden niet ziek. Bij voorzichtige schattingen wordt er van uitgegaan dat één op de tien tekenbeten veroorzaakt wordt door een teek die de bacterie Borrelia burgdorferi bij zich draagt. Deze bacterie is de boosdoener die de Ziekte van Lyme veroorzaakt. In de meeste gevallen maakt het lichaam zelf afweerstoffen tegen deze bacterie. Slechts twee tot drie procent van de 'slachtoffers' zal ziekteverschijnselen van de Ziekte van Lyme ontwikkelen, en daarvan zal een gering percentage ernstig zijn. Men gaat er van uit dat jaarlijks in Nederland ruim 10.000 nieuwe gevallen van de Ziekte van Lyme optreden. Bij tijdige behandeling met antibiotica zijn de vooruitzichten positief. Door zelf oplettend te zijn is het vaak mogelijk de ziekte te voorkomen. Vindt toch besmetting plaats en is men in staat de arts de juiste informatie te geven, dan is behandeling in een vroeg stadium mogelijk en zijn de gevolgen minder ernstig.

De teek (Ixodes ricinus) wordt als schuldige aangewezen bij het krijgen van de Ziekte van Lyme. Een klein, bruin-zwart, spinachtig beestje, dat leeft door bloed te zuigen bij een 'gastheer'. Die 'gastheer' kan een mens zijn, maar ook een muis, een konijn, een rat, een hond, een ree, een paard, een vogel, een kat, of nog een ander dier. In zijn ontwikkeling kent de teek vier stadia: van eitje naar larve, van larve naar nimf en vervolgens naar volwassen teek. Een tekenlarve wordt geboren uit een eitje en is maar klein, ongeveer een kwart millimeter. Om te groeien en tot het volgende ontwikkelingsstadium van nimf over te gaan moet het beestje bloed zuigen. Dat gebeurt meestal bij een klein knaagdier zoals een muis, die toevallig voorbij komt en waar de larve zich aan hecht. Na een paar dagen laat de larve los, vervelt, en ontwikkelt zich tot een nimf van een halve tot één millimeter groot. Ook de nimf hecht zich aan een toevallig passerende 'gastheer' en zuigt zich vol met bloed. Na een paar dagen vervelt ook de nimf en ontwikkelt zich tot een volwassen teek van 2 tot 4 mm. groot. Het volwassen vrouwtje moet zich vol bloed zuigen en met een mannetje paren voordat ze eitjes kan leggen. De eitjes legt ze met 1000 tot 2000 tegelijk op een vochtig plekje, waarna ze sterft en de gehele cyclus opnieuw begint. Overigens, mannetjesteken zuigen geen bloed.

Een 'slachtoffer' vinden

De teek zoekt zijn 'gastheer' niet zelf op. Nee, teken wachten geduldig aan het einde van een blad of grasspriet tot er 'iemand' langs komt om zich aan te hechten. Op enkele meters afstand kunnen ze zich al oriënteren op stralingswarmte, geur, trillingen en koolzuur in de uitademingslucht van het potentiële slachtoffer. Komt er niemand langs dan is dat niet erg voor een teek. Teken kunnen maanden tot jaren overleven zonder voedsel, op voorwaarde dat de omgeving vochtig genoeg is. Men vindt ze dus in bosachtige gebieden, op de heide of in het hoge gras.

Als de teek een 'gastheer' gevonden heeft, zoekt hij naar een warm en vochtig plekje waar de huid niet te dik is. Bij volwassenen is dat vaak de lies, de knieholtes of de oksels; bij kinderen meestal de nek, achter de oren, op het hoofd of ook in de oksels; en bij dieren vaak de oren, de ogen, de lippen, de nek of de hals. Vervolgens boort de teek haar zuigsnuit door de huid van het slachtoffer heen. De 'gastheer' merkt daar echter niets van, omdat het speeksel van de teek een verdovende stof bevat. Vervolgens blijft de teek 5-6 dagen zitten: er zijn enkele dagen nodig om zich stevig te verankeren. Vrij snel zuigt de teek zich op een gegeven moment vol met bloed, waarbij het rood- bruine achterlijf een doorsnede van ruim één centimeter kan krijgen. Overtollig vocht, zo ongeveer twee/derde van wat werd opgezogen, wordt vervolgens teruggespoten in het lichaam van de 'gastheer'. De teek laat los en valt op de grond. En de 'gastheer' bemerkt hooguit wat jeuk op de plek waar de teek gezeten heeft.

Het gevaar van besmetting

Een tekenlarve (eerste ontwikkelingsstadium van de teek) levert geen enkel gevaar op. Pas nadat de larve zich één keer heeft volgezogen met bloed bestaat de mogelijkheid van besmetting met de bacterie Borrelia burgdorferi, de veroorzaker van de Ziekte van Lyme. Die kans is er alleen als de vorige 'gastheer' bij wie de teek zich heeft volgezogen drager was van deze bacterie. Een tekennimf of een volwassen teek die besmet is is dus gevaarlijk voor mens en dier.

Terug naar 'VERZORGING'
Terug naar
VERZORGING



Naar boven

Voorkomen is beter dan genezen

Zoals gezegd leven teken altijd in een vochtige omgeving: in hoog grasland, heide of in bosachtige gebieden waar de luchtvochtigheid hoog is. Bij bezoek aan een dergelijk gebied is het verstandig de juiste kleding te dragen: door de mouwen naar beneden te doen en de broekspijpen in de sokken of in laarzen te stoppen is de kans al veel kleiner om een teek op te lopen. Kinderen lopen door hun geringe lengte en de manier waarop ze spelen meer kans op een tekenbeet. Door ze een shirt met lange mouwen aan te trekken en een pet op te zetten zijn ze meer beschermd. Verder is het altijd verstandig om achteraf het lichaam te inspecteren op teken. Volwassen teken worden gemakkelijk ontdekt omdat ze vrij goed te zien zijn, met nimfen is dat anders. Doordat ze zo klein zijn worden ze vrij snel over het hoofd gezien.

Teken verzamelen zich bij droog weer, waar één teek is kunnen er dus meer zijn! In voorjaar en vroege zomer zijn het vooral de nimfen die zich aan een slachtoffer hechten, later in de zomer hebben ze zich tot volwassen teken ontwikkeld.

Huisdieren dragen geen beschermende kleding en kunnen dus makkelijker teken oplopen. Teken bij huisdieren zijn deels te voorkomen door het dier een zgn. tekenband om de hals te doen, waarop een stof zit die teken binnen 24 uur verlamt. Raadpleeg hiervoor eventueel een dierenarts. Voor zover bekend is de kat geen drager van de tekenbeetziekte en kent dit dier geen nadelige gevolgen van een tekenbeet. Voor de hond ligt dat anders: honden kunnen wel drager zijn van de bacterie die Lyme-ziekte veroorzaakt, en ook kunnen bepaalde bloedparasieten die door een teek kunnen worden overgebracht voor de hond gevaarlijk zijn. Bovendien kent de hond de zg. hondenteek (Rhipicephalus sanguineus), die groter is dan de gewone teek en uit Afrika afkomstig is. Raadpleeg de dierenarts als u twijfelt over een besmetting. Rechtstreekse besmetting van hond naar mens schijnt niet mogelijk te zijn.

Een tekenbeet

Als mens of dier een teek heeft opgelopen is dat geen ramp. Wel is het raadzaam de teek zo snel mogelijk te verwijderen. Gebruik hiervoor géén alcohol, nagellak, sigarettenrook of iets dergelijks om de teek te verdoven, zoals vroeger wel werd aangeraden! Hierdoor bestaat nl. de kans dat de teek schrikt en de maaginhoud in het lichaam van de gastheer spuit, waardoor juist de infectie veroorzaakt wordt die voorkomen had moeten worden. Inwrijven met speeksel en daarna met een voorzichtig draaiende beweging proberen de teek los te trekken schijnt beter te werken. Het best kan men hiervoor een speciale tekenpincet gebruiken, die te koop is bij een drogist, apotheek, dierenarts of bij de Stichting SAAG (zie bronvermelding). Is zo'n pincet niet voor handen, neem dan een pincet waarmee de teek niet platgedrukt wordt. Pak vervolgens de huid waarop de teek zit zodanig vast dat een soort 'heuveltje' ontstaat. Plaats de pincet over de kop van de teek, zo dicht mogelijk bij de huid. Let er op dat niet het lijf tussen het pincet komt! Draai en trek heel voorzichtig totdat de teek loslaat. Soms breekt het snuitje van de teek hierbij af en blijft in de huid achter. Niet erg! Dit komt vanzelf weer naar buiten, net als een splinter. Na het verwijderen van de teek het wondje ontsmetten met alcohol 70 % of met jodium en het pincet desinfecteren in kokend water.

Besmetting bij de mens

Als bij de mens besmetting heeft plaatsgevonden moet zo snel mogelijk de huisarts worden bezocht voor een antibiotica-behandeling. Besmetting is te herkennen aan een grote rode vlek die meestal (maar niet altijd) verschijnt op de plek van de tekenbeet. Deze vlek ontstaat doorgaans na 3 of 4 dagen tot 3 of 4 weken, maar vrijwel altijd binnen 3 maanden nadat men gebeten is. Die vlek wordt steeds groter en kan wel tot 15 cm. groot worden, terwijl rond de tekenbeet een lichtrode ring te zien is. Koorts, hoofdpijn en opgezette lymfeklieren kunnen dit verschijnsel vergezellen, maar ook dit is niet altijd het geval.

In Nederland bezoeken jaarlijks ongeveer 6.500 mensen hun huisarts vanwege zo'n rode vlek. Bij een enquête onder Lyme-patiënten bleek echter dat slechts twee/derde van de patiënten een rode vlek bij zichzelf had opgemerkt, hetgeen moet betekenen dat jaarlijks waarschijnlijk ruim 10.000 mensen in Nederland besmet raken met de bacterie Borrelia burgdorferi.

Na geruime tijd (enkele weken tot maanden) kan de bacterie in de bloedbaan terecht komen en zich door het lichaam verspreiden. Hoewel alle organen kunnen worden aangetast blijkt in de praktijk dat doorgaans het hart, het zenuwstelsel en/of de gewrichten ziekteverschijnselen vertonen.

Besmetting bij een hond

Besmetting bij honden kan eveneens klachten geven in de zin van algehele malaise, zoals verhoogde temperatuur, sloom zijn en niet eten, en bewegingsproblemen zoals kreupel lopen, opgezette gewrichten en spierpijn. Met een antibioticakuur zijn jonge honden te genezen. Bij oudere honden die chronisch ziek zijn zullen de klachten na een antibioticakuur grotendeels verdwijnen, maar is de ziekte niet volledig te genezen.

De bovenstaande symptomen kunnen ook veroorzaakt worden door andere ziekten, waardoor het voor artsen moeilijk is om de juiste diagnose te stellen. Door zelf goed op te letten of men door een teek gebeten is, en de datum te onthouden, kan men de arts de nodige informatie geven die maakt dat men op de juiste wijze en in een zo vroeg mogelijk stadium behandeld wordt.